ALBERT II, Koning der Belgen,
Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet.
Gelet op de wet van 3 december 2005 betreffende de uitkering van een inkomenscompensatievergoeding aan zelfstandigen die het slachtoffer zijn van hinder ten gevolge van werken op het openbaar domein, inzonderheid op artikel 3, tweede lid;
Gelet op het advies nr. 40.163/1 van de Raad van State, gegeven op 20 april 2006 met toepassing van artikel 84, § 3, eerste lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State;
Op de voordracht van Onze Minister van Middenstand,
Hebben Wij besloten en besluiten Wij :
Artikel 1. Het percentage van de berekeningbasis bedoeld in artikel 3, tweede lid, van de wet van 3 december 2005 betreffende de uitkering van een inkomenscompensatievergoeding aan zelfstandigen die het slachtoffer zijn van hinder ten gevolge van werken op het openbaar domein wordt voor de periode van 1 juli 2006 tot 31 december 2006 vastgesteld op 0,125 %.
Art. 2. Dit besluit treedt in werking op 1 juli 2006.
Art. 3. Onze minister van Middenstand is belast met de uitvoering van dit besluit.
Gegeven te Brussel, 10 juni 2006.
ALBERT
Van Koningswege :
De Minister van Middenstand,
Mevr. S. LARUELLE
begin (#top) Publicatie : 2006-06-26
ALBERT II, Koning der Belgen,
Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet.
Gelet op artikel 108 van de Grondwet;
Gelet op de wet van 3 december 2005 betreffende de uitkering van een inkomenscompensatievergoeding aan zelfstandigen die het slachtoffer zijn van hinder ten gevolge van werken op het openbaar domein, inzonderheid op artikel 3, vijfde lid;
Gelet op het advies nr. 40.178/1 van de Raad van State, gegeven op 20 april 2006 met toepassing van artikel 84, § 3, eerste lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State;
Op de voordracht van Onze Minister van Middenstand,
Hebben Wij besloten en besluiten Wij :
Artikel 1. Voor de toepassing van dit besluit, wordt verstaan onder :
1° wet: de wet van 3 december 2005 betreffende de uitkering van een inkomenscompensatievergoeding aan zelfstandigen die het slachtoffer zijn van hinder ten gevolge van werken op het openbaar domein.
2° koninklijk besluit van 26 september 1996: het koninklijk besluit van 26 september 1996 tot bepaling van de algemene uitvoeringsregels van de overheidsopdrachten en van de concessies voor openbare werken.
Art. 2. Ten laatste binnen een termijn van 30 dagen te rekenen vanaf de dag van ontvangst van de aangifte van schuldvordering betreffende de betaling van het saldo of van de enige betaling bedoeld in artikel 15, §1, van de bijlage bij het koninklijk besluit van 26 september 1996, deelt de bouwheer aan het Participatiefonds alle aangiften van schuldvorderingen mee bedoeld in artikel 15, § 1, van de bijlage bij het koninklijk besluit van 26 september 1996 en duidt het bedrag aan bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de wet.
Ten laatste binnen een termijn van zestig dagen te rekenen vanaf de dag van de ontvangst van de aangifte van schuldvorderingen bedoeld in lid 1, stelt het Participatiefonds het bedrag vast bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de wet en zendt aan de bouwheer een stortings- of overschrijvingsformulier toe met vermelding van het rekeningnummer van het Participatiefonds en de mededeling.
Ten laatste binnen een termijn van 30 dagen te rekenen vanaf de dag van ontvangst van het stortings- of overschrijvingsformulier bedoeld in lid 2, maakt de bouwheer het vastgestelde bedrag over.
Art. 3. § 1. Naar aanleiding van het instellen van een rechtsvordering betreffende de betwisting van een aangifte van schuldvordering bedoeld in artikel 15, §1, van de bijlage bij het koninklijk besluit van 26 september 1996, is de bouwheer ertoe gehouden, als aanvulling op de aangiften van schuldvordering bedoeld bij artikel 2, eerste lid, van dit besluit, binnen een termijn van dertig dagen bedoeld in voormeld artikel, aan het Participatiefonds elk bewijsstuk mee te delen dat een rechtsvordering betreffende de betwisting van een schuldvordering bedoeld in artikel 15, § 1, van de bijlage bij het koninklijk besluit van 26 september 1996, werd ingesteld of binnenkort zal worden ingesteld.
In het geval bedoeld in het vorige lid, bepaalt het Participatiefonds desgevallend het reeds verschuldigde bedrag ingevolge de toepassing van artikel 3, eerste lid, van de wet en zendt het, desgevallend, ten laatste binnen een termijn van zestig dagen te rekenen vanaf de dag van de ontvangst van de aangiften van schuldvorderingen en van elk bewijsstuk bedoeld bij artikelen 2, eerste lid en 3, §1, eerste lid van dit besluit, aan de bouwheer een stortings- of overschrijvingsformulier toe met vermelding van het rekeningnummer van het Participatiefonds en de mededeling.
Ten laatste binnen een termijn van dertig dagen te rekenen vanaf de dag van de ontvangst van voormeld stortings- of overschrijvingsformulier, stort de bouwheer het bedrag bedoeld in het tweede lid.
§ 2. Ten laatste binnen een termijn van dertig dagen te rekenen vanaf een beslissing die in kracht van gewijsde is gegaan, deelt de bouwheer voormelde beslissing mede.
Ten laatste binnen een termijn van zestig dagen te rekenen vanaf de dag van de ontvangst van voormelde beslissing, stelt het Participatiefonds het bedrag vast bedoeld bij artikel 3, eerste lid, van de wet en deelt het aan de bouwheer het resterende verschuldigde saldo mede, rekening houdende met artikel 3, § 1, tweede lid van dit besluit, evenals een stortings- of overschrijvingsformulier toe met vermelding van het rekeningnummer van het Participatiefonds en de mededeling.
Ten laatste binnen een termijn van dertig dagen te rekenen vanaf de dag van de ontvangst van voormeld stortings- of overschrijvingsformulier, stort de bouwheer het bedrag bedoeld bij vorig lid.
Art. 4. Dit besluit treedt in werking op 1 juli 2006.
Art. 5. Onze minister van Middenstand is belast met de uitvoering van dit besluit.
Gegeven te Brussel, 10 juni 2006.
ALBERT
Van Koningswege :
De Minister van Middenstand,
Mevr. S. LARUELLE
begin (#top) Publicatie : 2006-06-26
ALBERT II, Koning der Belgen,
Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet.
Gelet op de wet van 3 december 2005 betreffende de uitkering van een inkomenscompensatievergoeding aan zelfstandigen die het slachtoffer zijn van hinder ten gevolge van werken op het openbaar domein, inzonderheid op de artikelen 6, § 2, derde lid en § 3, derde lid, en 7, § 1;
Gelet op het advies nr. 40.179/1 van de Raad van State, gegeven op 20 april 2006 met toepassing van artikel 84, § 3, eerste lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State;
Op de voordracht van Onze Minister van Middenstand,
Hebben Wij besloten en besluiten Wij :
Artikel 1. Voor de toepassing van dit besluit, wordt verstaan onder :
- wet : de wet van 3 december 2005 betreffende de uitkering van een inkomenscompensatievergoeding aan zelfstandigen die het slachtoffer zijn van hinder ten gevolge van werken op het openbaar domein.
Art. 2. Het aanvraagformulier tot het verkrijgen van een attest van de gemeente dat, desgevallend, het bestaan van hinder ten gevolge van werken van algemeen nut bevestigt, bedoeld in artikel 6, § 2, derde lid, van de wet is opgenomen als bijlage 1 bij dit besluit.
Art. 3. Het aanvraagformulier tot het verkrijgen van de erkenning door het Participatiefonds dat de aangeduide inrichting van de onderneming een gehinderde inrichting is, bedoeld in artikel 6, § 3, derde lid, van de wet is opgenomen als bijlage 2 bij dit besluit.
Art. 4. Het aanvraagformulier tot het verkrijgen van de inkomenscompensatievergoeding bedoeld in artikel 7, § 1, van de wet is opgenomen als bijlage 3 bij dit besluit.
Art. 5. Dit besluit treedt in werking op 1 januari 2007.
Art. 6. Onze minister van Middenstand is belast met de uitvoering van dit besluit.
Gegeven te Brussel, 10 juni 2006.
ALBERT
Van Koningswege :
De Minister van Middenstand,
Mevr. S. LARUELLE
Bijlage 1
Aanvraagformulier tot het verkrijgen van een attest van de gemeente dat, desgevallend, het bestaan van hinder ten gevolge van werken van algemeen nut bevestigt
AANDACHTIG DE ONDERRICHTINGEN ALS BIJLAGE GEVOEGD BIJ DIT FORMULIER LEZEN ALVORENS DIT FORMULIER IN TE VULLEN
I. Algemene inlichtingen :
A. Gemeente waar het formulier wordt ingediend :
B. Gegevens
1) Benaming van de onderneming :
2) Maatschappelijke zetel van de onderneming :
3) Ondernemingsnummer :
4) Identiteit van de verantwoordelijke van de onderneming :
5) Adres van de inrichting van de onderneming die, volgens de verantwoordelijke van de onderneming, hinder ondervindt :
6) Telefoonnummer van de inrichting van de onderneming bedoeld in punt I.B.5) :
7) Telefoonnummer (buiten de openingsuren van de inrichting van de onderneming bedoeld in punt I.B.5) :
8) Faxnummer van de onderneming :
9) E-mail adres van de onderneming en, desgevallend, van de verantwoordelijke van de onderneming :
C. Beschrijving van de werken
1) Plaats en adres van de werken :
2) Aard van de werken :
II. Beschrijving van de hinder :
1° Hebben de werken tot gevolg dat gedurende ten minste 14 kalenderdagen :
Voor de raadpleging van de tabel, zie beeld
2° Buiten de in bovenstaande tabel bedoelde punten, desgevallend andere toestanden aanduiden die gedurende ten minste 14 kalenderdagen de toegang tot de inrichting van de onderneming bedoeld in punt I.B.5) belemmeren, verhinderen of ernstig bemoeilijken :
III. Verklaring van de verantwoordelijke van de onderneming
De verantwoordelijke van de onderneming, (naam), bevestigt dat zijn onderneming :
- minder dan 10 personen tewerkstelt;
- geen jaaromzet of jaarlijks balanstotaal heeft die 2 miljoen euro overschrijdt;
- als voornaamste activiteit heeft : de rechtstreekse verkoop van producten of het verlenen van diensten aan consumenten of aan kleine verbruikers waarvoor persoonlijk en direct contact met de klanten vereist is en dat in normale omstandigheden plaatsvindt in een gebouwde inrichting.
Voor waar en oprecht verklaard,
Handtekening van de verantwoordelijke van de onderneming (plaats en datum),
Gezien om te worden gevoegd bij Ons besluit van 10 juni 2006 betreffende de inhoud en de modellen van formulieren bedoeld bij de artikelen 6, § 2, derde lid, 6, § 3, derde lid en 7, § 1 van de wet van 3 december 2005 betreffende de uitkering van een inkomenscompensatievergoeding aan zelfstandigen die het slachtoffer zijn van hinder ten gevolge van werken op het openbaar domein.
ALBERT
Van Koningswege :
De Minister van Middenstand,
S. LARUELLE
Onderrichtingen voor de verantwoordelijke van de onderneming
Voorafgaande opmerkingen
De hieronder beschreven onderrichtingen zijn een samenvatting van de wet van 3 december 2005 betreffende de uitkering van een inkomenscompensatievergoeding aan zelfstandigen die het slachtoffer zijn van hinder ten gevolge van werken op het openbaar domein.
Voor verdere informatie wordt aangeraden voornoemde wet en de uitvoeringsbesluiten ervan aandachtig te lezen.
A. Definities van de termen die in dit formulier worden aangewend
1) Welke onderneming kan een aanvraag tot attest bij de gemeente indienen?
Alleen de onderneming die cumulatief aan de drie volgende voorwaarden beantwoordt :
- Zij moet minder dan 10 personen tewerkstellen;
- Zij mag geen jaaromzet of jaarlijks balanstotaal hebben die 2 miljoen euro overschrijdt;
- Zij moet als voornaamste activiteit hebben : de rechtstreekse verkoop van producten of het verlenen van diensten aan consumenten of aan kleine verbruikers waarvoor persoonlijk en direct contact met de klanten vereist is en dat in normale omstandigheden plaatsvindt in een gebouwde inrichting.
2) Voor welke soort werken mag de aanvraag tot attest worden ingediend?
Het betreft de in opdracht van een bouwheer uitgevoerde werken van algemeen nut op het openbaar domein, waar ook uitgevoerd op het grondgebied, met uitzondering van de categorieën bepaald door de Koning bij een in de Ministerraad overlegd besluit.
3) Wat moet men verstaan onder « hinder »?
Het betreft de toestand als gevolg van werken die de toegang tot de inrichting van de onderneming waarin de zelfstandige werkzaam is, belemmert, verhindert of ernstig bemoeilijkt.
4) Wat moet men verstaan onder « gehinderde inrichting »?
Het betreft de inrichting van de onderneming waarvan is erkend dat als gevolg van hinder het niet zinvol is, vanuit operationeel oogpunt, deze gedurende minstens 14 kalenderdagen open te houden.
5) Wat moet men verstaan onder « zelfstandige »?
Het betreft de zelfstandige en de helper in de zin van het koninklijk besluit nr. 38 van 27 juli 1967 houdende inrichting van het sociaal statuut der zelfstandigen.
6) Wie is het Participatiefonds?
Het betreft de door artikel 73 van de wet van 28 juli 1992 houdende fiscale en financiële bepalingen opgerichte openbare instelling. De zetel ervan is gevestigd de Lignestraat 1, te 1000 Brussel. Het telefoonnummer van het Participatiefonds is het volgende : 02/210.87.91
7) Wie is de bouwheer?
De publiekrechterlijke en privaatrechterlijke rechtspersonen die opdracht geven tot het uitvoeren van werken.
B. Procedure
1° Aanvraag tot attest die bij de gemeente ingediend moet worden
Met behulp van dit formulier vraagt de verantwoordelijke van de onderneming bij de gemeente op wiens grondgebied de inrichting van de onderneming is gevestigd het attest aan dat, desgevallend, het bestaan van hinder bevestigt.
Dit behoorlijk ingevulde en ondertekend formulier wordt neergelegd tegen ontvangstbewijs op het gemeentehuis.
De gemeente levert een attest af dat de werken op het grondgebied van de gemeente dan wel van een naburige gemeente plaatsvinden.
De gemeente levert het attest af binnen zeven kalenderdagen volgend op de datum vermeld op het ontvangstbewijs. Bij gebreke hieraan wordt de gemeente geacht te hebben bevestigd dat er werken plaatsvinden die hinder veroorzaken en geldt het ontvangstbewijs als attest.
2° Aanvraag tot erkenning die bij het Participatiefonds moet worden ingediend
De verantwoordelijke van de onderneming dient bij het Participatiefonds met behulp van het daartoe voorziene formulier een aanvraag tot erkenning in voor de inrichting die hij als gehinderde inrichting aanduidt.
Indien de gemeente een attest overeenkomstig punt B.1° van deze onderrichtingen heeft afgeleverd, voegt de verantwoordelijke van de onderneming dit bij zijn aanvraag tot erkenning.
N.B. Indien de gemeente geen attest aflevert of in het attest niet bevestigt dat er werken plaatsvinden die hinder veroorzaken, kan de verantwoordelijke van de onderneming bij de indiening van zijn aanvraag tot erkenning als gehinderde inrichting bij het Participatiefonds eisen dat een bijzonder hiertoe gemachtigd agent de toestand onderzoekt en, met het oog op het vervolledigen van deze aanvraag, in een attest al dan niet bevestigt dat de werken hinder veroorzaken.
Het Participatiefonds bevestigt de ontvankelijkheid van de aanvraag tot erkenning als gehinderde instelling in een aangetekend schrijven tegen ontvangstbewijs dat het aan de verantwoordelijke van de onderneming toezendt.
Vervolgens onderzoekt het Participatiefonds in welke mate de hinder recht geeft op een erkenning als gehinderde inrichting.
Tenslotte betekent het Participatiefonds zijn beslissing aan de verantwoordelijke van de onderneming per aangetekend schrijven tegen ontvangstbewijs, binnen de dertig kalenderdagen te rekenen vanaf de datum waarop het dossier ontvankelijk werd verklaard, bij gebreke waaraan de inrichting als gehinderde inrichting is erkend.
Tegen de afkeuringsbeslissing van het Participatiefonds kan door de verantwoordelijke van de onderneming beroep worden aangetekend bij de minister die bevoegd is voor de middenstand binnen de dertig kalenderdagen te rekenen vanaf de datum van betekening van de beslissing zoals hierboven bedoeld.
Indien de minister van middenstand geen uitspraak doet binnen de zestig dagen vanaf de datum van het instellen van het beroep, wordt de beslissing van het Participatiefonds geacht bevestigd te zijn.
3° Aanvraag tot inkomenscompensatievergoeding die bij het Participatiefonds moet worden ingediend
Wanneer het Participatiefonds de inrichting van de onderneming als gehinderde inrichting erkent, moet de zelfstandige, met het oog op het verkrijgen van een inkomenscompensatievergoeding een aanvraag indienen bij aangetekend schrijven tegen ontvangstbewijs met behulp van het hiertoe voorziene formulier bij het Participatiefonds.
Het Participatiefonds bevestigt de ontvankelijkheid van de aanvraag per aangetekend schrijven tegen ontvangstbewijs dat aan de zelfstandige wordt toegezonden.
Het Participatiefonds onderzoekt het dossier en keurt de aanvraag goed of af.
Het Participatiefonds betekent zijn beslissing aan de zelfstandige per aangetekend schrijven tegen ontvangstbewijs, binnen de dertig kalenderdagen te rekenen vanaf de datum waarop het dossier ontvankelijk werd verklaard, bij gebreke waaraan de aanvraag wordt geacht goedgekeurd te zijn.
Tegen de afkeuringsbeslissing kan door de zelfstandige binnen dertig kalenderdagen, te rekenen vanaf de datum van de betekening, beroep worden aangetekend bij de minister die bevoegd is voor de middenstand.
Indien de minister van middenstand geen uitspraak doet binnen de zestig dagen vanaf de datum van het instellen van het beroep, wordt de beslissing van het Participatiefonds geacht bevestigd te zijn.
Bijlage 2
Aanvraagformulier tot het verkrijgen van de erkenning door het Participatiefonds dat de aangeduide inrichting van de onderneming een gehinderde inrichting is
AANDACHTIG DE ONDERRICHTINGEN ALS BIJLAGE GEVOEGD BIJ DIT FORMULIER LEZEN ALVORENS DIT FORMULIER IN TE VULLEN
I. Algemene inlichtingen :
A. Gemeente waar het formulier wordt ingediend :
B. Gegevens
1) Benaming van de onderneming :
2) Ondernemingsnummer :
3) Identiteit van de verantwoordelijke van de onderneming :
4) Desgevallend, het ondernemingsnummer van de verantwoordelijke van de onderneming :
5) Adres van de inrichting van de onderneming die, volgens de verantwoordelijke van de onderneming, hinder ondervindt :
6) Telefoonnummer van de inrichting van de onderneming bedoeld in punt I.B.5) :
7) Telefoonnummer (buiten de openingsuren van de inrichting van de onderneming bedoeld in punt I.B.5) :
8) Faxnummer van de onderneming :
9) E-mailadres van de onderneming en, desgevallend, van de verantwoordelijke van de onderneming :
C. Beschrijving van de werken
1) Plaats en adres van de werken :
2) Aard van de werken :
II. Beschrijving van de hinder :
1°Hebben de werken tot gevolg dat gedurende ten minste 14 kalenderdagen :
Voor de raadpleging van de tabel, zie beeld
2° Buiten de in bovenstaande tabel bedoelde punten, desgevallend andere toestanden aanduiden die gedurende ten minste 14 kalenderdagen de toegang tot de inrichting van de onderneming bedoeld in punt I.B.5) belemmeren, verhinderen of ernstig bemoeilijken :
III. Sluitingsduur van de inrichting van de onderneming zoals bedoeld in punt I.B.5) :
1) Begindatum van de sluiting van de inrichting van de onderneming bedoeld in punt I.B.5) :
Opgelet, tussen de verzendingsdatum van deze aanvraag en de sluitingsdatum van de inrichting van de onderneming bedoeld in punt I.B.5), dient een termijn van ten minste 14 kalenderdagen te zijn verstreken.
2) Aantal dagen gedurende dewelke de inrichting van de onderneming bedoeld in punt I.B.5) gesloten zal zijn (ten minste 14 kalenderdagen) :
IV. Verklaring van de verantwoordelijke van de onderneming
De verantwoordelijke van de onderneming, (naam) verklaart dat de hinder als gevolg heeft dat het vanuit operationeel oogpunt niet zinvol is de inrichting bedoeld in punt I.B.5) gedurende ten minste veertien kalenderdagen open te houden en dat de inrichting dus gesloten zal zijn vanaf xx/xx/xxxx.
De verantwoordelijke van de onderneming, bevestigt dat zijn onderneming :
- minder dan 10 personen tewerkstelt;
- geen jaaromzet of jaarlijks balanstotaal heeft die 2 miljoen euro overschrijdt;
- als voornaamste activiteit heeft : de rechtstreekse verkoop van producten of het verlenen van diensten aan consumenten of aan kleine verbruikers waarvoor persoonlijk en direct contact met de klanten vereist is en dat in normale omstandigheden plaatsvindt in een gebouwde inrichting.
Voor waar en oprecht verklaard,
Handtekening van de verantwoordelijke van de onderneming (plaats en datum),
Gezien om te worden gevoegd bij Ons besluit van 10 juni 2006 betreffende de inhoud en de modellen van formulieren bedoeld bij de artikelen 6, § 2, derde lid, 6, § 3, derde lid en 7, § 1 van de wet van 3 december 2005 betreffende de uitkering van een inkomenscompensatievergoeding aan zelfstandigen die het slachtoffer zijn van hinder ten gevolge van werken op het openbaar domein.
ALBERT
Van Koningswege :
De Minister van Middenstand,
Mevr. S. LARUELLE
Onderrichtingen voor de verantwoordelijke van de onderneming
Voorafgaande opmerkingen
De hieronder beschreven onderrichtingen zijn een samenvatting van de wet van 3 december 2005 betreffende de uitkering van een inkomenscompensatievergoeding aan zelfstandigen die het slachtoffer zijn van hinder ten gevolge van werken op het openbaar domein.
Voor verdere informatie wordt aangeraden voornoemde wet en de uitvoeringsbesluiten ervan aandachtig te lezen.
A. Definities van de termen die in dit formulier worden aangewend
1) Welke onderneming kan een aanvraag tot erkenning bij het Participatiefonds indienen?
Alleen de onderneming die cumulatief aan de drie volgende voorwaarden beantwoordt :
- Zij moet minder dan 10 personen tewerkstellen;
- Zij mag geen jaaromzet of jaarlijks balanstotaal hebben die 2 miljoen euro overschrijdt;
- Zij moet als voornaamste activiteit hebben : de rechtstreekse verkoop van producten of het verlenen van diensten aan consumenten of aan kleine verbruikers waarvoor persoonlijk en direct contact met de klanten vereist is en dat in normale omstandigheden plaatsvindt in een gebouwde inrichting.
2) Voor welke soort werken mag de aanvraag tot erkenning worden ingediend?
Het betreft de in opdracht van een bouwheer uitgevoerde werken van algemeen nut op het openbaar domein, waar ook uitgevoerd op het grondgebied, met uitzondering van de categorieën bepaald door de Koning bij een in de Ministerraad overlegd besluit.
3) Wat moet men verstaan onder » hinder »?
Het betreft de toestand als gevolg van werken die de toegang tot de inrichting van de onderneming waarin de zelfstandige werkzaam is, belemmert, verhindert of ernstig bemoeilijkt.
4) Wat moet men verstaan onder « gehinderde inrichting »?
Het betreft de inrichting van de onderneming waarvan is erkend dat als gevolg van hinder het niet zinvol is, vanuit operationeel oogpunt, deze gedurende minstens 14 kalenderdagen open te houden.
5) Wat moet men verstaan onder « zelfstandige »?
Het betreft de zelfstandige en de helper in de zin van het koninklijk besluit nr. 38 van 27 juli 1967 houdende inrichting van het sociaal statuut der zelfstandigen.
6) Wie is het Participatiefonds?
Het betreft de door artikel 73 van de wet van 28 juli 1992 houdende fiscale en financiële bepalingen opgerichte openbare instelling. De zetel ervan is gevestigd de Lignestraat 1, te 1000 Brussel. Het telefoonnummer van het Participatiefonds is het volgende : 02/210.87.91
7) Wie is de bouwheer?
De publiekrechterlijke en privaatrechterlijke rechtspersonen die opdracht geven tot het uitvoeren van werken.
B. Procedure
1°Aanvraag tot erkenning die bij het Participatiefonds moet worden ingediend
De verantwoordelijke van de onderneming dient bij het Participatiefonds met behulp van dit formulier een aanvraag tot erkenning in voor de inrichting die hij als gehinderde inrichting aanduidt.
Indien de gemeente een attest heeft afgeleverd, voegt de verantwoordelijke van de onderneming dit bij zijn aanvraag tot erkenning.
N.B. Indien de gemeente geen attest aflevert of in het attest niet bevestigt dat er werken plaatsvinden die hinder veroorzaken, kan de verantwoordelijke van de onderneming bij de indiening van zijn aanvraag tot erkenning als gehinderde inrichting bij het Participatiefonds eisen dat een bijzonder hiertoe gemachtigd ambtenaar de toestand onderzoekt en, met het oog op het vervolledigen van deze aanvraag, in een attest al dan niet bevestigt dat de werken hinder veroorzaken.
Het Participatiefonds bevestigt de ontvankelijkheid van de aanvraag tot erkenning als gehinderde instelling in een aangetekend schrijven tegen ontvangstbewijs dat het aan de verantwoordelijke van de onderneming toezendt.
Vervolgens onderzoekt het Participatiefonds in welke mate de hinder recht geeft op een erkenning als gehinderde inrichting.
Ten slotte betekent het Participatiefonds zijn beslissing aan de verantwoordelijke van de onderneming per aangetekend schrijven tegen ontvangstbewijs, binnen de dertig kalenderdagen te rekenen vanaf de datum waarop het dossier ontvankelijk werd verklaard, bij gebreke waaraan de inrichting als gehinderde inrichting is erkend.
Tegen de afkeuringsbeslissing van het Participatiefonds kan door de verantwoordelijke van de onderneming beroep worden aangetekend bij de minister die bevoegd is voor de middenstand binnen de dertig kalenderdagen te rekenen vanaf de datum van betekening zoals hierboven bedoeld.
Indien de minister van middenstand geen uitspraak doet binnen de zestig dagen vanaf de datum van het instellen van het beroep, wordt de beslissing van het Participatiefonds geacht bevestigd te zijn.
2° Aanvraag tot inkomenscompensatievergoeding die bij het Participatiefonds moet worden ingediend
Wanneer het Participatiefonds de inrichting van de onderneming als gehinderde inrichting erkent, moet de zelfstandige, met het oog op het verkrijgen van een inkomenscompensatievergoeding een aanvraag indienen bij aangetekend schrijven tegen ontvangstbewijs met behulp van het hiertoe voorziene formulier bij het Participatiefonds.
Het Participatiefonds bevestigt de ontvankelijkheid van de aanvraag per aangetekend schrijven tegen ontvangstbewijs dat aan de zelfstandige wordt toegezonden.
Het Participatiefonds onderzoekt het dossier en keurt de aanvraag goed of af.
Het Participatiefonds betekent zijn beslissing aan de zelfstandige per aangetekend schrijven tegen ontvangstbewijs, binnen de dertig kalenderdagen te rekenen vanaf de datum waarop het dossier ontvankelijk werd verklaard, bij gebreke waaraan de aanvraag wordt geacht goedgekeurd te zijn.
Tegen de afkeuringsbeslissing kan door de zelfstandige binnen dertig kalenderdagen, te rekenen vanaf de datum van de betekening, beroep worden aangetekend bij de minister die bevoegd is voor de middenstand.
Indien de minister van middenstand geen uitspraak doet binnen de zestig dagen vanaf de datum van het instellen van het beroep, wordt de beslissing van het Participatiefonds geacht bevestigd te zijn.
Bijlage 3
Aanvraagformulier tot het verkrijgen van de inkomenscompensatievergoeding
AANDACHTIG DE ONDERRICHTINGEN ALS BIJLAGE BIJ DIT FORMULIER LEZEN ALVORENS DIT FORMULIER IN TE VULLEN
I. Algemene inlichtingen :
A. Gegevens
1) Benaming van de onderneming :
2) Ondernemingsnummer :
3) Naam van de zelfstandige :
4) Desgevallend, het ondernemingsnummer van de zelfstandige :
5) Adres van de inrichting van de onderneming waar de zelfstandige werkt en door het Participatiefonds als gehinderde inrichting erkend werd :
6) Telefoonnummer van de zelfstandige :
7) E-mailadres van de zelfstandige :
8) Bankrekeningnummer van de zelfstandige waarop de vergoeding desgevallend gestort zou worden :
B. Beschrijving van de werken
1) Plaats en adres van de werken :
2) Aard van de werken :
II. Verklaring van de zelfstandige
De zelfstandige verklaart dat gedurende de periode waarin de inrichting van de onderneming bedoeld in punt I.A.5), door het Participatiefonds erkend als een gehinderde inrichting, ten gevolge van hinder gesloten zal zijn, hij noch de inkomsten zal genieten van zijn activiteiten in voormelde inrichting, noch andere beroepsinkomsten.
Voor waar en oprecht verklaard,
Handtekening van de zelfstandige (plaats en datum),
Gezien om te worden gevoegd bij Ons besluit van 10 juni 2006 betreffende de inhoud en de modellen van formulieren bedoeld bij de artikelen 6, § 2, derde lid, 6, § 3, derde lid en 7, § 1 van de wet van 3 december 2005 betreffende de uitkering van een inkomenscompensatievergoeding aan zelfstandigen die het slachtoffer zijn van hinder ten gevolge van werken op het openbaar domein.
ALBERT
Van Koningswege :
De Minister van Middenstand,
Mevr. S. LARUELLE
Onderrichtingen voor de zelfstandige
Voorafgaande opmerkingen
De hieronder beschreven onderrichtingen zijn een samenvatting van de wet van 3 december 2005 betreffende de uitkering van een inkomenscompensatievergoeding aan zelfstandigen die het slachtoffer zijn van hinder ten gevolge van werken op het openbaar domein.
Voor verdere informatie wordt aangeraden voornoemde wet en de uitvoeringsbesluiten ervan aandachtig te lezen.
A.Definities van de termen die in dit formulier worden aangewend
1)Welke zijn de zelfstandigen die de aanvraag tot inkomenscompensatievergoeding kunnen indienen
Het betreft de zelfstandigen en helpers in de zin van het koninklijk besluit nr. 38 van 27 juli 1967 houdende inrichting van het sociaal statuut der zelfstandigen.
2)In welke onderneming moet de zelfstandige werkzaam zijn om een aanvraag tot inkomenscompensatievergoeding te kunnen indienen?
Het moet een onderneming betreffen die cumulatie aan de drie volgende voorwaarden beantwoordt :
- Zij moet minder dan 10 personen tewerkstellen;
- Zij mag geen jaaromzet of jaarlijks balanstotaal hebben die 2 miljoen euro overschrijdt;
- Zij moet als voornaamste activiteit hebben : de rechtstreekse verkoop van producten of het verlenen van diensten aan consumenten of aan kleine verbruikers waarvoor persoonlijk en direct contact met de klanten vereist is en dat in normale omstandigheden plaatsvindt in een gebouwde inrichting.
Bovendien dient de inrichting van de onderneming waar de zelfstandige werkzaam is door het Participatiefonds als gehinderde inrichting erkend te zijn.
3) Voor welke soort werken mag de aanvraag tot inkomenscompensatievergoedings worden ingediend?
Het betreft de in opdracht van een bouwheer uitgevoerde werken van algemeen nut op het openbaar domein, waar ook uitgevoerd op het grondgebied, met uitzondering van de categorieën bepaald door de Koning bij een in de Ministerraad overlegd besluit.
4) Wat moet men verstaan onder » gehinderde inrichting »?
Het betreft de inrichting van de onderneming waarvan is erkend dat als gevolg van hinder niet zinvol is, vanuit operationeel oogpunt, deze gedurende minstens 14 kalenderdagen open te houden.
5) Wat moet men verstaan onder « hinder » ?
Het betreft de toestand als gevolg van werken die de toegang tot de inrichting van de onderneming waarin de zelfstandige werkzaam is, belemmert, verhindert of ernstig bemoeilijkt.
6) Wie is het Participatiefonds?
Het betreft de door artikel 73 van de wet van 28 juli 1992 houdende fiscale en financiële bepalingen opgerichte openbare instelling. De zetel ervan is gevestigd de Lignestraat 1, te 1000 Brussel. Het telefoonnummer van het Participatiefonds is het volgende : 02/210.87.91
7) Wie is de bouwheer?
De publiekrechterlijke en privaatrechterlijke rechtspersonen die opdracht geven tot het uitvoeren van werken.
B. Aanvraag tot inkomenscompensatievergoeding die bij het Participatiefonds moet worden ingediend
Wanneer het Participatiefonds de inrichting van de onderneming als gehinderde inrichting erkent, moet de zelfstandige, met het oog op het verkrijgen van een inkomenscompensatievergoeding een aanvraag indienden bij aangetekend schrijven tegen ontvangstbewijs met behulp van het hiertoe voorziene formulier bij het Participatiefonds.
Het Participatiefonds bevestigt de ontvankelijkheid van de aanvraag per aangetekend schrijven tegen ontvangstbewijs dat aan de zelfstandige wordt toegezonden.
Het Participatiefonds onderzoekt het dossier en keurt de aanvraag goed of af.
Het Participatiefonds betekent zijn beslissing aan de zelfstandige per aangetekend schrijven tegen ontvangstbewijs, binnen de dertig kalenderdagen te rekenen vanaf de datum waarop het dossier ontvankelijk werd verklaard, bij gebreke waaraan de aanvraag wordt geacht goedgekeurd te zijn.
Tegen de afkeuringsbeslissing kan door de zelfstandige binnen dertig kalenderdagen, te rekenen vanaf de datum van de betekening, beroep worden aangetekend bij de minister die bevoegd is voor de middenstand.
Indien de minister van middenstand geen uitspraak doet binnen de zestig dagen vanaf de datum van het instellen van het beroep, wordt de beslissing van het Participatiefonds geacht bevestigd te zijn.
begin (#top) Publicatie : 2006-06-26
ALBERT II, Koning der Belgen,
Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet.
Gelet op de wet van 3 december 2005 betreffende de uitkering van een inkomenscompensatievergoeding aan zelfstandigen die het slachtoffer zijn van hinder ten gevolge van werken op het openbaar domein, inzonderheid op de artikelen 6, § 4, eerste lid, 7, § 3, eerste lid en 9, § 3, eerste lid;
Gelet op het advies nr. 40.164/1 van de Raad van State, gegeven op 20 april 2006 met toepassing van artikel 84, § 3, eerste lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State;
Op de voordracht van Onze Minister van Middenstand,
Hebben Wij besloten en besluiten Wij :
Artikel 1. Voor de toepassing van dit besluit, wordt verstaan onder :
1° eisende partij : de verantwoordelijke van de onderneming die beroep aantekent tegen de beslissing van het Participatiefonds krachtens artikel 6, § 4, eerste lid, van de wet van van 3 december 2005 betreffende de uitkering van een inkomenscompensatievergoeding aan zelfstandigen die het slachtoffer zijn van hinder ten gevolge van werken op het openbaar domein of de zelfstandige die beroep aantekent tegen de beslissing van het Participatiefonds krachtens artikel 7, § 3, eerste lid, van de voornoemde wet.
De verantwoordelijke van de onderneming die beroep aantekent tegen de beslissing van het Participatiefonds krachtens artikel 9, § 3, eerste lid van de voornoemde wet.
2° minister: de minister die bevoegd is voor Middenstand.
Art. 2. De eisende partij kan beroep aantekenen overeenkomstig de modaliteiten voorzien bij dit artikel, zijnde:
1° De eisende partij dient per aangetekende brief met ontvangstbewijs bij de minister een verzoek in;
2° Het verzoek tot beroep vermeldt de volgende punten :
a) i. Voor de verantwoordelijke van de onderneming:
Als het een natuurlijke persoon betreft :
- de namen en voornamen van de verantwoordelijke van de onderneming;
- de geboorteplaats en -datum van de verantwoordelijke van de onderneming;
- het adres waar de verantwoordelijke van de onderneming woonstkeuze doet;
- het telefoon- en het eventueel faxnummer van de verantwoordelijke van de onderneming;
of als het een rechtspersoon betreft :
- de benaming, de vennootschapszetel, het telefoon- en het eventueel faxnummer van de onderneming;
- de identiteit van de verantwoordelijke van de onderneming;
- het telefoon- en het eventueel faxnummer van de verantwoordelijke van de onderneming;
ii. Voor de zelfstandige :
- de namen en voornamen van de zelfstandige;
- de geboorteplaats en -datum van de zelfstandige;
- het adres waar de zelfstandige woonstkeuze doet;
- het telefoon- en het eventueel faxnummer van de zelfstandige;
b) het adres waar de inrichting van de onderneming gevestigd is die door de eisende partij wordt aangeduid als gehinderde inrichting;
c) in voorkomend geval, de identiteit, het adres, het telefoon- en het eventueel faxnummer van de advocaat die de eisende partij bijstaat;
d) een uiteenzetting van de omstandigheden van de zaak en een gedetailleerde beschrijving van de motieven van het beroep.
Art. 3. De minister of zijn gedelegeerde brengt het Participatiefonds op de hoogte van het beroep dat door de eisende partij werd ingesteld. Het Participatiefonds deelt aan de minister of aan zijn gedelegeerde een volledige kopie van het dossier van de eisende partij mee desgevallend samen met zijn opmerkingen.
Art. 4. De minister of zijn gedelegeerde mag alle bijkomende inlichtingen vragen aan de eisende partij en aan het Participatiefonds.
Art. 5. De minister doet uitspraak over het door de eisende partij ingestelde beroep. Binnen een termijn van 60 dagen te rekenen vanaf de datum vermeld in het in artikel 2, 1° bedoelde ontvangstbewijs, maakt de minister per aangetekende brief met ontvangstbewijs zijn beslissing bekend aan de eisende partij en aan het Participatiefonds.
Art. 6. Dit besluit treedt in werking op 1 juli 2006 behalve artikel 1, 1°, eerste lid dat in werking treedt op 1 januari 2007.
Art. 7. Onze Minister van Middenstand is belast met de uitvoering van dit besluit.
Gegeven te Brussel, 10 juni 2006.
ALBERT
Van Koningswege :
De Minister van Middenstand,
Mevr. S. LARUELLE
begin (#top) Publicatie : 2006-06-26
ALBERT II, Koning der Belgen,
Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet.
Gelet op artikel 108 van de Grondwet;
Gelet op de wet van 3 december 2005 betreffende de uitkering van een inkomenscompensatievergoeding aan zelfstandigen die het slachtoffer zijn van hinder ten gevolge van werken op het openbaar domein, inzonderheid op de artikelen 6, § 2, achtste lid, en 11, § 1, eerste lid;
Gelet op het advies nr. 40.180/1 van de Raad van State, gegeven op 20 april 2006 met toepassing van artikel 84, § 3, eerste lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State;
Op de voordracht van Onze Minister van Middenstand,
Hebben Wij besloten en besluiten Wij :
Artikel 1. De raad van bestuur van het Participatiefonds stelt, onder zijn personeel, de ambtenaren aan bedoeld in artikel 11, § 1, eerste lid, van de wet van 3 december 2005 betreffende de uitkering van een inkomenscompensatievergoeding aan zelfstandigen die het slachtoffer zijn van hinder ten gevolge van werken op het openbaar domein.
De voornoemde raad van bestuur stelt onder zijn personeel, de ambtenaar aan bedoeld in artikel 6, § 2, achtste lid, van voornoemde wet.
De ambtenaren bedoeld in het eerste lid en het tweede lid van huidig artikel worden hierna « inspecteurs » genoemd.
De inspecteurs oefenen binnen het Participatiefonds minstens de functie uit van assistent.
De inspecteurs leggen, voorafgaand aan de uitoefening van hun functie, de eed af in handen van de minister of van zijn gedelegeerde. De eed wordt uitgesproken volgens de bewoordingen bepaald in artikel 2 van het decreet van 20 juli 1831 betreffende de eedaflegging bij de aanvang van de grondwettelijk vertegenwoordigde monarchie.
Art. 2. Dit besluit treedt in werking op 1 juli 2006 behalve artikel 1, tweede lid, dat in werking treedt op 1 januari 2007.
Art. 3. Onze Minister van Middenstand is belast met de uitvoering van dit besluit.
Gegeven te Brussel, 10 juni 2006.
ALBERT
Van Koningswege :
De Minister van Middenstand,
Mevr. S. LARUELLE
begin (#top) Publicatie : 2006-06-26
De Minister van Middenstand,
Gelet op de wet van 3 december 2005 betreffende de uitkering van een inkomenscompensatievergoeding aan zelfstandigen die het slachtoffer zijn van hinder ten gevolge van werken op het openbaar domein, inzonderheid op artikel 12, § 3, eerste lid;
Gelet op het advies nr. 40.181/1 van de Raad van State, gegeven op 20 april 2006 met toepassing van artikel 84, § 3, eerste lid van de gecoördineerde wetten op de Raad van State,
Besluit :
Artikel 1. Voor de toepassing van dit besluit, wordt verstaan onder :
- wet : de wet van 3 december 2005 betreffende de uitkering van een inkomenscompensatievergoeding aan zelfstandigen die het slachtoffer zijn van hinder ten gevolge van werken op het openbaar domein.
Art. 2. De ambtenaren, bedoeld in artikel 12, § 3, eerste lid, van de wet, die, rekening houdend met de processen-verbaal opgesteld door de in artikel 11, § 1, van de wet bedoelde ambtenaren, en die één van de overtredingen op de bepalingen van de wet of van haar uitvoeringsbesluiten vaststellen, aan de overtreders voorstellen een som te betalen die de strafvordering doet vervallen, zijn aangesteld door de raad van bestuur van het Participatiefonds onder zijn personeel. Zij zullen « commissarissen » worden genoemd.
De commissarissen oefenen binnen het Participatiefonds minstens de functie van attaché uit.
De commissarissen kunnen in geval van afwezigheid of verhindering de hun toegekende bevoegdheid delegeren krachtens het eerste lid.
De commissarissen leggen, voorafgaand aan de uitoefening van hun functie, de eed af in handen van de Minister die bevoegd is voor Middenstand of van zijn gedelegeerde. De eed wordt uitgesproken volgens de bewoordingen bepaald in artikel 2 van het decreet van 20 juli 1831 betreffende de eedaflegging bij de aanvang van de grondwettelijke vertegenwoordigde monarchie.
Art. 3. Dit besluit treedt in werking op 1 juli 2006.
Brussel, 10 juni 2006.
Mevr. S. LARUELLE
begin (#top) Publicatie : 2006-06-26
ALBERT II, Koning der Belgen,
Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet.
Gelet op de wet van 3 december 2005 betreffende de uitkering van een inkomenscompensatievergoeding aan zelfstandigen die het slachtoffer zijn van hinder ten gevolge van werken op het openbaar domein, inzonderheid op artikel 12, § 3, tweede lid;
Gelet op het advies nr 40.182/1 van de Raad van State, gegeven op 20 april 2006 met toepassing van artikel 84, § 3, eerste lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State;
Op de voordracht van Onze Minister van Middenstand,
Hebben Wij besloten en besluiten Wij :
Artikel 1. Voor de toepassing van dit besluit, wordt verstaan onder :
1° wet : de wet van 3 december 2005 betreffende de uitkering van een inkomenscompensatievergoeding aan zelfstandigen die het slachtoffer zijn van hinder ten gevolge van werken op het openbaar domein;
2° commissarissen : de ambtenaren bedoeld in artikel 2 van het ministerieel besluit van 10 juni 2006 tot aanstelling van de ambtenaren bedoeld bij artikel 12, § 3, eerste lid, van de wet van 3 december 2005 betreffende de uitkering van een inkomenscompensatievergoeding aan zelfstandigen die het slachtoffer zijn van hinder ten gevolge van werken op het openbaar domein.
Art. 2. Het bij artikel 11, § 1, van de wet bedoelde proces-verbaal inzake de vaststelling van overtredingen op de wet of op haar uitvoeringsbesluiten wordt binnen een termijn van dertig kalenderdagen toegezonden aan de commissarissen.
Art. 3. Binnen de drie maanden vanaf de ontvangst van het proces-verbaal inzake de vaststelling van overtredingen kunnen de commissarissen, aan de overtreder per aangetekende brief een voorstel tot betaling van de som bedoeld in artikel 12, § 3, eerste lid, van de wet samen met een stortings- of overschrijvingsformulier toezenden.
De in het vorige lid bedoelde som wordt op de rekening van het Participatiefonds gestort.
Art. 4. Het voorstel wijst er op dat de betaling dient te gebeuren binnen de drie maanden vanaf de datum van het versturen van de aangetekende brief bedoeld in artikel 3 en vermeldt de datum van verzending.
Het voorstel verduidelijkt daarenboven dat de betaling van de som bedoeld in artikel 12, § 3, eerste lid van de wet, de strafvordering doet vervallen en dat de overtreder, de mogelijkheid heeft om per aangetekende brief zijn/haar middelen van verweer mee te delen binnen dertig dagen vanaf het verzenden van het voorstel. In voorkomend geval kan de overtreder inzage bekomen van het dossier met betrekking tot de hem ten laste gelegde inbreuk.
Art. 5. In geval van niet-betaling binnen de voorgeschreven termijn, wordt het proces-verbaal doorgestuurd naar het Openbaar Ministerie.
Art. 6. Als er geen enkel betalingsvoorstel wordt gedaan, wordt het proces-verbaal eveneens naar het Openbaar Ministerie doorgestuurd.
Art. 7. Als de overtreder verweermiddelen inroept bedoeld in artikel 4, tweede lid, van dit besluit en indien het blijkt dat deze een bijkomend onderzoek vereisen, dan wordt het volledige dossier naar het Openbaar Ministerie gestuurd en wordt de overtreder hiervan op de hoogte gebracht.
In de andere gevallen, na onderzoek van de verweermiddelen en binnen een termijn van dertig kalenderdagen te rekenen vanaf de ontvangst van deze middelen, richten de commissarissen, per aangetekende brief, aan de overtreder een definitief en gemotiveerd voorstel van de som bedoeld in artikel 12, § 3, eerste lid van de wet samen met een stortings- of overschrijvingsbewijs en waarbij benadrukt wordt dat de voormelde som dient te worden betaald binnen een termijn van 30 kalenderdagen te rekenen vanaf het verzenden van dit voorstel.
Art. 8. De commissarissen kunnen aan de overtreder de betaling voorstellen van een som bedoeld in artikel 12, § 3, eerste lid van de wet van 250 euro tot 10.000 euro en van 500 euro tot 20.000 euro in geval van herhaling binnen de drie jaar te rekenen vanaf een veroordelend vonnis dat kracht van gewijsde heeft gekregen, met betrekking tot het begaan van al de overtredingen bedoeld in de wet of in zijn uitvoeringsbesluiten.
Art. 9. Dit besluit treedt in werking op 1 juli 2006.
Art. 10. Onze Minister van Middenstand is belast met de uitvoering van dit besluit.
Gegeven te Brussel, 10 juni 2006.
ALBERT
Van Koningswege :
De Minister van Middenstand,
Mevr. S. LARUELLE
ALBERT II, Koning der Belgen,
Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet.
Gelet op artikel 108 van de grondwet
Gelet op de wet van 3 december 2005 betreffende de uitkering van een inkomenscompensatievergoeding aan zelfstandigen die het slachtoffer zijn van hinder ten gevolge van werken op het openbaar domein, inzonderheid op artikel 14;
Gelet op het advies nr 40.165/1 van de Raad van State, gegeven op 20 april 2006 met toepassing van artikel 84, § 3, eerste lid van de gecoördineerde wetten op de Raad van State;
Op de voordracht van Onze Minister van Middenstand,
Hebben Wij besloten en besluiten Wij :
Artikel 1. De wet van 3 december 2005 betreffende de uitkering van een inkomenscompensatievergoeding aan zelfstandigen die het slachtoffer zijn van hinder ten gevolge van werken op het openbaar domein treedt in werking op 1 juli 2006, en is voor de eerste maal van toepassing op de werken waarvan de opdracht op die datum nog niet is gegund of tot stand gekomen in de zin van de artikelen 117, 118, 119 en 122 van het koninklijk besluit van 8 januari 1996 betreffende de overheidsopdrachten voor aanneming van werken, leveringen en diensten en de concessies voor openbare werken.
Art. 2. Dit besluit treedt in werking op 1 juli 2006.
Art. 3. Onze Minister van Middenstand is belast met de uitvoering van dit besluit.
Gegeven te Brussel, 10 juni 2006.
ALBERT
Van Koningswege :
De Minister van Middenstand,
Mevr. S. LARUELLE.
begin (#top) Publicatie : 2006-06-26
ALBERT II, Koning der Belgen,
Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet.
Gelet op de wet van 3 december 2005 betreffende de uitkering van een inkomenscompensatievergoeding aan zelfstandigen die het slachtoffer zijn van hinder ten gevolge van werken op het openbaar domein, inzonderheid op artikel 3, tweede lid;
Gelet op het advies van de Inspecteur van Financiën, gegeven op 20 september 2007;
Gelet op het advies nr. 43.694/1 van de Raad van State, gegeven op 31 oktober 2007 met toepassing van artikel 84, § 1, eerste lid, 1°, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State;
Op de voordracht van Onze Minister van Middenstand,
Hebben Wij besloten en besluiten Wij :
Artikel 1. Het percentage bedoeld in artikel 3, tweede lid, van de wet van 3 december 2005 betreffende de uitkering van een inkomenscompensatievergoeding aan zelfstandigen die het slachtoffer zijn van hinder ten gevolge van werken op het openbaar domein wordt voor het jaar 2008 vastgesteld op 0,125 %.
Art. 2. Dit besluit treedt in werking op 1 januari 2008.
Art. 3. Onze minister van Middenstand is belast met de uitvoering van dit besluit.
Gegeven te Brussel, 3 december 2007.
ALBERT
Van Koningswege :
De Minister van Middenstand,
Mevr. S. LARUELLE
begin (#top) Publicatie : 2007-12-19